Met de huidige pandemie van COVID-19 wordt er een groot beroep gedaan op laboratoria voor verwerking van monstermaterialen, diagnostiek, maar ook onderzoek naar een vaccin tegen SARS-CoV-2. Ten aanzien van het veilig (biosafety) werken met SARS-CoV-2 zijn er diverse documenten en richtlijnen van onder andere het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, WHO en CDCCenters for Disease Control and Prevention gepubliceerd. De belangrijkste biosafety aspecten zijn hieronder verder uitgewerkt. Tenslotte worden ook enkele biosecurity aandachtspunten benoemd.

RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu/LCILandelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding (onderdeel RIVM) richtlijn SARS-CoV-2 - bioveiligheid

COVID-19 is per 28 januari 2020 aangemerkt als groep A-meldingsplichtige ziekte. Dit houdt in dat reeds bij het vermoeden van de ziekte dit direct gemeld moet worden aan de GGDGemeentelijke/gewestelijke gezondheidsdienst van de woon- of verblijfplaats van de patiënt.

Mede op basis van het WHO-advies (zie verderop) en Interim Laboratory Biosafety richtlijnen van het Amerikaanse CDC adviseert het RIVM/Landelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding (LCI) het volgende over veiligheid bij het verwerken van monstermaterialen, diagnostiek en klinisch-chemische bepalingen:

  • Alle soorten respiratoire materialen en feces dienen als (potentieel) infectieus te worden beschouwd.
  • Bloed en urine wordt niet als infectieus beschouwd en kan door klinisch chemische en serologische laboratoria op gebruikelijke wijze worden verwerkt.
  • Potentieel aerosol-vormende handelingen bij verwerken van patiëntmaterialen die mogelijk infectieus virus bevatten dienen te gebeuren onder BSL-2-condities in een biologisch veiligheidskabinet klasse 2.

Meer informatie:

 

WHO interim guidance for laboratory biosafety related to SARS-CoV-2

Op 12 februari 2020 heeft de WHO tussentijdse richtlijnen gepubliceerd voor  laboratoria die betrekking hebben op het testen van klinische monstermaterialen van patiënten die voldoen aan de casusdefinitie voor coronavirusziekte 2019 (COVID-19).

Het is essentieel om ervoor te zorgen dat gezondheidslaboratoria zich houden aan gepaste bioveiligheidspraktijken. Alle tests op de aanwezigheid van SARS-CoV-2 of klinische monsters van patiënten moeten worden uitgevoerd in goed uitgeruste laboratoria, door personeel dat is opgeleid in de relevante technische en veiligheidsprocedures. Nationale richtlijnen voor laboratoriumbioveiligheid moeten onder alle omstandigheden worden gevolgd.

  • Alle procedures moeten worden uitgevoerd op basis van risicobeoordeling en alleen door personeel met bewezen bekwaamheid, te allen tijde met strikte inachtneming van alle relevante protocollen.
  • De initiële verwerking (vóór inactivering) van alle monsters moet plaatsvinden in een gevalideerde biologisch veiligheidskabinet of in een primair ingeperkt apparaat.
  • Diagnostisch laboratoriumwerk met geïnactiveerd materiaal (bijvoorbeeld sequentiebepaling en PCR) moet worden uitgevoerd in een faciliteit met procedures die gelijkwaardig zijn aan bioveiligheidsniveau 2 (BSL-2).
  • Laboratoriumwerk met ‘levend’ virus (bijvoorbeeld viruscultuur, isolatie- of neutralisatiebepalingen) moet worden uitgevoerd in een laboratorium op bioveiligheidsniveau 3 (BSL-3) met onderdruk.
  • Er moeten geschikte desinfectiemiddelen met bewezen activiteit tegen omhulde virussen worden gebruikt (bijvoorbeeld bleekmiddel, alcohol, waterstofperoxide, quaternaire ammoniumverbindingen en fenolische verbindingen).
  • Patiëntenmonsters van vermoedelijke of bevestigde gevallen moeten worden vervoerd als UN3373, "Biologische stof Categorie B". Virale culturen of isolaten moeten worden vervoerd als categorie A, UN2814, "besmettelijke stof die de mens aantast".

Meer informatie:

 

COGEM advies CGM/200211-01 ten aanzien van de pathogeniteitsclassificatie en inschaling van werkzaamheden met het nieuwe coronavirus 2019-nCoV uit Wuhan

De Commissie Genetische Modificatie (COGEM) heeft op 11 februari advies uitgebracht over inschaling en risicoclassificatie van werkzaamheden met genetisch gemodificeerd SARS-CoV-2. Gezien de aard van de ziekte die het virus veroorzaakt en de afwezigheid van effectieve profylaxe of behandeling, adviseert de COGEM om SARS-CoV-2 in pathogeniteitsklasse 3 in te delen. De COGEM adviseert om werkzaamheden met replicatiecompetent (gg-) SARS-CoV-2 op ML-III inperkingsniveau uit te  voeren  met  de volgende aanvullende  maatregelen:

  • Het dragen van handschoenen tot over de mouwen van de werkkleding;
  • Het dragen van een mond- en neuskapje (P2 of hogere specificatie) en een veiligheidsbril.

Meer informatie:

 

ABSA SARS-CoV-2 Toolbox

De Amerikaanse Biosafety Association (ABSA International) heeft een toolbox gepubliceerd over SARS-CoV-2 met relevante links naar websites en richtlijnen over veiligheid in het laboratorium (https://absa.org/covid19toolbox/)

 

Biosecurity aspecten van SARS-CoV-2

Naast veilig werken met SARS-CoV-2, is het ook belangrijk dat laboratoria zich bewust zijn van potentiele biosecurity aspecten. Bureau Biosecurity heeft verschillende aandachtpunten op haar website gepubliceerd (zie: https://bureaubiosecurity.nl/pijlers).

Ten aanzien van onderzoek met het virus en het vervaardigen van (delen) van SARS-CoV-2 zijn er richtlijnen voor het bestellen van gesynthetiseerde virale sequenties (bijvoorbeeld primers voor PCR). Het International Gene Synthesis Consortium (IGSC) is een door de industrie geleide groep van gene synthesis bedrijven en organisaties. Het IGSC heeft een Harmonized Screening Protocol opgesteld om misbruik van synthetisch vervaardigde sequenties te voorkomen. Door de bestelde sequenties en de klanten van gene synthesis bedrijven te screenen, wordt beoogd om de goede kanten van de gensynthese technologie te beschermen en daarbij het risico op misbruik te minimaliseren. Ook voor SARS-CoV-2 sequenties dient hiermee bewust omgegaan te worden.

Meer informatie: